Geloven en gezond verstand, zo heet het eerste gedeelte van het boek: Eerste hulp bij ongeloof. Een boek voor welwillende sceptici en twijfelende gelovigen, aldus de schrijver. Laat ik nou bij die laatste groep horen. Volgens de schrijver ben ik een ongelovige, zoals Thomas, de leerling van Jezus. Thomas werd ongelovig genoemd omdat hij twijfelde of Jezus wel was opgestaan. Het bekende ‘eerst zien dan geloven’, helaas is het voor een Thomas in de 21ste eeuw iets lastiger om de twijfel weg te nemen.

Wonderen zijn te wonderlijk
De schrijver vertelt over hoe Jona in de vis (let op: geen walvis) heeft kunnen zitten en waarom god überhaupt zou liegen over geschiedenissen in de bijbel, want waarom zou je liegen over goede en mooie dingen die je hebt gedaan? Waarom zou je liegen over wonderen?
De schrijver zei nog wel wat moois over die wonderen. Wonderen staan juist in de bijbel omdat ze zo wonderlijk zijn. Juist die gebeurtenissen waarvan mensen zeiden: “dit kan niet waar zijn”, werden opgeschreven. Dus als iemand zegt, het is onmogelijk dat Jona drie dagen in de buik van een vis heeft gezeten kan je daar alleen maar op antwoorden: ja, dat is inderdaad onmogelijk.
De schrijver vertelt ook over zijn eigen periode van twijfel die begon tijdens een studiejaar theologie (voor zover de overeenkomsten). Hij vertelt ook over bidden. Dit stukje greep mij omdat ik al een tijdje niet echt meer bid, dat moet ik uitleggen…

Ik durf niet te bidden
Bij mij thuis is het nog de gewoonte om voor het eten te bidden maar dat gaat vaak heel snel (here, wilt u dit heerlijke eten zegenen, amen). Omdat het zo’n kort en standaardzinnetje is sta je er niet meer echt bij stil.
Meer bidden, zoals voordat je gaat slapen of als je weer wakker wordt is er bij mij nooit echt ingekomen. Omdat ik niet weet wie god precies en dus ook niet weet wat ik precies geloof vind ik het lastig om te bidden. Want wat moet ik dan zeggen? En ben ik dan wel oprecht?
Ik vermijd ook vaak de momenten dat ik zou moeten bidden. Zo werd ik tijdens een stage aan het eind van een bezoek aan een ouder echtpaar gevraagd te bidden en te danken. Ik heb toen gezegd dat de dominee dat maar beter kon doen.
Maar volgens de schrijver is dat raar want: “er is maar één manier om erachter te komen of wat er in de bijbel over god staat, werkelijk waar is: door te proberen om contact met hem te leggen.”
Voor mij gaat de schrijver hier te snel hoor: Als god bestaat kan je beter maar gaan bidden. En als je er dan toch achter komt dat hij niet bestaat is het ergste wat er gebeurd is dat je een paar keer tegen jezelf hebt staan praten.

Geloof is iets persoonlijks schijnt.
Geloven is volgens de schrijver niet een verstandelijke overtuiging. Geloven zou gaan over de vraag of de god van de bijbel in eerste plaats ook iets met jou te maken heeft. En dat persoonlijke gaat veel dieper dan rationele antwoorden, het gaat om een dieper persoonlijk weten. De schrijver gebruikt niet voor niets twee parallellen uit de liefde om dit duidelijk te maken. Maar toen ik klaar was met lezen kwam er toch een vraag in mij naar boven: Hoe Dan?
Ik begrijp dat als je een goede, gezegende relatie met god en jezus wilt dat dat gaat via een persoonlijk voelen en weten. Want zo gaat dat ook in “gewone” relaties.
Maar hoe begin je zoiets? Wat zeg je? Wat gebeurt er? En heb ik dan nog niet vaak genoeg gevraagd of god er wil zijn voor mij? of vroeg ik dat toen verkeerd? En wat moet je ervoor opgeven om een relatie met god aan te gaan? Ik ben namelijk nogal gehecht aan eigen keuze kunnen maken.

Categorieën: zoektocht naar god

Geef een reactie